Rousseau: van muzikale blaaskaak tot toonkunstenaar

250px-Allan_Ramsay_003

Bekentenissen, memoires en confessies: in alle soorten en maten vinden we in onze geschiedenis geschriften terug die openhartig proberen te beschrijven wat in de krochten van de ziel is opgeslagen. Augustinus, degene die een van de eerste autobiografieën heeft geschreven, biecht voornamelijk tegenover God. Rousseau daarentegen richt zich tot zijn publiek en heeft als doel zijn complete ik tentoon te stellen of, zoals hij zelf zegt: Ik ga iets ondernemen dat nooit eerder is gedaan en dat, als het eenmaal is uitgevoerd, niet zal worden nagevolgd. Ik wil aan mijn medemensen een mens laten zien zoals hij werkelijk is en die mens, dat ben ik zelf.

De Bekentenissen van Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) gelden nu nog steeds als een van de hoogtepunten in de literatuurgeschiedenis. Rousseau beschrijft in dit werk zijn eigen leven aan de hand van onverbloemde herinneringen waarin zowel zijn goede als slechte daden opgebiecht worden aan de lezer. Openhartig schrijft Rousseau bijvoorbeeld over zijn voorkeuren in de liefde: Op mijn knieën liggen voor een gebiedende minnares, aan haar bevelen gehoorzamen, haar vergiffenis vragen, dat waren voor mij bijzonder zoete genietingen[1]. Maar wat dit werk musicologisch interessant maakt, zijn natuurlijk de memoires over muziek. Rousseau gold in zijn tijd als een gevierd componist door zijn werk Le Devin du Village waaraan hij in 1752 begon te schrijven. De romantische filosoof schreef in zijn bekentenissen dan ook dat hij na de première van Le devin helemaal in de mode was in Parijs en er niemand was die vaker gevraagd werd dan hij.[2] Maar de weg tot dit werk was minder vanzelfsprekend als gedacht wordt.

Toen Rousseau, nadat hij voor zeer korte tijd de muziek bestudeerd had, voor het eerst vol jeugdige moed de wijde wereld introk en zich voordeed als muziekkenner, werd al snel duidelijk dat hij noch de kennis, noch de vaardigheden beheerste om het als degelijk toonkunstenaar uit te houden. In Lausanne, waar hij zich voordeed als Vaussore de Villeneuve uit Parijs (in navolging van zijn leermeester Venture de Villeneuve), werd hij aangesteld als zangmeester zonder dat hij ook maar één melodie van het blad kon lezen. In een vlaag van overmoed bood hij een prominente inwoner uit die plaats aan een compositie te schrijven ten proeve van zijn talent. Rousseau beschrijft, eerlijk als hij is, hoe de welgestelde mensen op zijn werk reageerden:  Neen, nooit in zijn leven heeft men, sinds er Franse opera’s bestaan, een dergelijke ketelmuziek gehoord. Rousseau is daarnaast niet te beroerd om een paar reacties uit het publiek op te nemen in zijn bekentenissen: Wat is dit voor heksensabbat?, Wat is dat voor krankzinnige muziek? en Er is niets fatsoenlijks bij. In zekere zin was Rousseau de grondlegger van de Rock & Roll, dat is zeker.

Na dit fiasco besluit de romanticus om zich in het nabijgelegen Neuchâtel te vestigen, waar hij een paar meisjesleerlingen onderwees in de muziek. Hij schrijft in zijn bekentenissen dat hij door er les in te geven, de muziek vanzelf leerde. Deze periode is maar kortstondig van aard. Na enkele omzwervingen door het land, eindigt Rousseau dichtbij Lyon waar hij een baantje krijgt aangeboden als muziekkopieerder, wat volgens hemzelf de beste manier was om de muziek te leren kennen. Echter, hierin bleek onze held weinig succes te hebben: De muziek van mijn partijen kon niet worden uitgevoerd, zoveel noten bleek ik te hebben verdubbeld, verwisseld en weggelaten. Ik moet erkennen dat ik later het beroep heb gekozen waarvoor ik [..] het minst geschikt was. Hij besluit na een korte tijd ook hier weer weg te gaan en krijgt, tot zijn eigen verbazing, een financiële bonus van zijn welgemanierde werkgever.

Een aantal jaren later herleeft zijn liefde voor muziek weer en samen met zijn beschermster Mamam bestudeert hij diverse gezangen. Rousseau begint zich toe te leggen aan de bestudering van de harmonieleer en wel door het bestuderen van de Traite de l’harmonie van Rameau (waarmee hij later een invloedrijke briefwisseling heeft gehouden over de expressieve kwaliteiten van muziek) Alhoewel Rousseau zich in die periode zelf een knoeier noemde, wordt zijn interesse in het compositorisch proces al snel groter dan het was in Lausanne. Hij besluit zijn baan op te geven en zich compleet te wijden aan de muziek. Door deze rigoureuze keuze werden al snel veel eigenschappen aan Rousseau toegewezen aangezien hij met zoveel hartstocht voor de kunst [koos], haar wel op een buitengewone wijze moest beheersen. Waarna hij later schrijft: In het land der blinden is een oog koning. Ik ging daar als goede leermeester door, omdat er alleen maar slechte waren[3]. Dit alles resulteerde in een groot aantal (vrouwelijke) leerlingen die hem al snel meer opbrachten dan zijn voormalige baan: een succes dus.

Na een vrij lange periode van lesgeven kreeg Rousseau steeds meer interesse in de compositieleer. Het boek van Rameau, waar hij aan het begin van zijn studie bijster weinig van begreep, wordt onafgebroken bestudeerd en uiteindelijk slaagde Jean-Jacques erin de Traite de l’harmonie te begrijpen waarna hij begint met het schrijven van enkele kleine composities. Hij besluit de werkjes te laten horen aan het publiek die hem direct betichten van plagiaat (dit verwijt krijgt Rousseau wel vaker te horen).

In de bekentenissen valt na deze periode van intensieve bestudering een klein gat waarin slechts een kleine aantekening bestaat van zijn interesse in de geschiedenis van muziek en de kennismaking met de Italiaanse muziekpraktijk. Wanneer hij, geveld door een van zijn vele kwalen, ziek thuis belandt komt hij op het idee om zelf een notensysteem te bedenken. Dit nieuwe systeem zou de toonladder opdelen in cijfers, zodat de lijnen en notenbalken niet meer getekend hoefde te worden. Rousseau geloofde oprecht dat zijn fortuin was gemaakt[4] en besloot richting Parijs te vertrekken om de academie op de hoogte te stellen van zijn fantastische systeem. De academie was echter niet erg enthousiast over het systeem en vertelde Rousseau dat ene pater Souhaitty ook al een dergelijk systeem had bedacht. Ook Rameau, welke in die tijd verbonden was aan de academie, gaf kritiek op de methode. Deze kritiek was volgens Jean-Jacques rechtvaardig, maar hij bleef stug volhouden aan zijn systeem.Jean-Jacques was zo vastberaden de wereld te laten zien wat de mogelijkheden waren van zijn methode dat hij besloot een boek te schrijven wat op den duur vrij weinig opbracht en vrijwel niet onder de aandacht werd gebracht. Hij begon daarnaast ook met het geven van gratis muzieklessen om te bewijzen dat zijn systeem werkte. Deze hadden ook vrij weinig navolging. Toen Rousseau naar aanleiding van een longontsteking (waaraan hij volgens zichzelf bijna was overleden) thuis belandde besloot hij zich te wijden aan een opera. Voor zijn eerste opera Les muses galantes schreef hij zelf het libretto en de muziek. Toen hij in Italië als ambassadeur werkte, kreeg hij de mogelijkheid zijn werk uit te laten voeren: Muziek is in Italië zo goedkoop, dat als men ervan houdt, het niet zonder hoeft te doen. [..] voor een daalder had ik vier of vijf musici in mijn huis met wie ik eenmaal in de week de stukken instudeerde. [5]

Na zijn terugkomst uit Italië besloot Rousseau gebruik te maken van zijn talenten, waarvan hij eindelijk begon in te zien hoe groot ze waren. Hij besloot zijn opera af te maken en zocht voor de uitvoering van het complete werk een mecenas. De persoon die hij hiervoor vond was tevens de mecenas van de gevierde componist Rameau; monsieur de la Poplinière, welke de uitvoering van Les muses galantes in 1745 compleet bekostigde en hier meer dan enthousiast over was. Rameau daarentegen benadrukte tegen Rousseau dat het werk nooit van zijn hand kon zijn en zag hem als een plagiator zonder talent of smaak.[6] Na dit eindelijk succesvolle uitstapje werkte Rousseau mee aan de Dictionnaire Encyclopédique van zijn grote vriend Diderot. Zijn bijdragen hieraan waren volgens zichzelf bijzonder gehaast en slecht uitgevoerd.

Toen Rousseau in 1750 werd behandeld voor een ernstige ziekte, werd hem verteld dat hij nog maar een half jaar te leven had. Vastbesloten de rest van zijn leven in onafhankelijkheid en armoede te leven besloot hij zich van de ketenen van de publieke opinie te ontdoen. In deze periode begon hij weer met het kopiëren van muziek, wat hem in zijn levensonderhoud voorzag en hij begon met het schrijven van het werk dat door velen als zijn meesterwerk wordt beschouwd, Le Devin du Village, welke in de traditie van de Italiaanse komische opera’s is geschreven. Hij voltooide het werk in zes dagen (wat in tegenstelling tot de paar jaren voor Les muses Galant zeer kort is). Rousseau zag zijn werk als een absoluut nieuwe stijl en door de angst dat het niet aan zou slaan werd het werk eerst niet onder zijn eigen naam uitgebracht. Toen eenmaal bleek dat het een succes was, werd zijn naam aan het werk gekoppeld.

[youtube http://www.youtube.com/watch?v=PqZAemfkpnw&w=560&h=315]

Onder het toeziend oog van zowel de koning, koningin als de koninklijke familie en hof ging het werk Le devin du village in het jaar 1752 in première. Het was een groot succes en de koning bood Rousseau een compleet jaargeld aan. Jean-Jacques weigerde deze echter, omdat het tegenstrijdig zou zijn op de wens onafhankelijk en belangeloos te zijn. Een pikant detail om hierbij te vermelden is dat Rousseau, niet voor het eerst, werd beticht van plagiaat. In zijn bekentenissen ontkent Rousseau echter enige vorm van diefstal te hebben gepleegd, wat volgens hem bij de werken van Rameau zeker niet het geval zal zijn.

Naar aanleiding van zijn opera Le devin du village was de naam Rousseau in de muzikale wereld van Parijs en omstreken gevestigd. Of het hem enig goed deed is daarnaast de vraag. In zijn bekentenissen uit hij zich kritisch op het publiek: Ik begreep toen dat arm en onafhankelijk zijn niet altijd zo gemakkelijk is als men wel denkt. Ik wilde leven van mijn beroep [kopiëren], het publiek wilde dat niet.[7]  Veel vrienden, zoals Grimm en Diderot, beginnen steeds minder interesse in hem te vertonen en op den duur verlaten ze hem steeds meer.

Pieter van Vliet


[1] Rousseau, Bekentenissen, p.26

[2] Rousseau, Bekentenissen, p.411

[3] Rousseau, Bekentenissen p. 214

[4] Rousseau, Bekentenissen p. 306

[5] Rousseau, Bekentenissen p.352

[6] Rousseau, Bekentenissen, p. 372

[7] Bekentenissen, p. 409